• Language
  • NL

Fundamenteel Onderzoek

Een onderzoekslijn van NijCa²re richt zich op factoren in het ontstaan en de instandhouding van angststoornissen. Vanuit cognitieve theorieën wordt verondersteld dat cognitieve processen, zoals aandacht, interpretatie en geheugen, belangrijke factoren zijn in het ontstaan en de instandhouding van angststoornissen. Iemand die lijdt aan een angststoornis richt zijn of haar aandacht vooral op bedreigende informatie (bijv. een spinnenfobicus let vooral op spinnen), neigt er toe informatie als bedreigend te interpreteren (bijv. een onschuldige spin wordt geïnterpreteerd als gevaarlijk) en hij of zij herinnert zich angstgerelateerde informatie ook goed (bijv. eerdere herinneringen van spinnen in de kelder). Vragen die hierbij onderzocht worden, zijn: Spelen deze processen echt een rol in het ontstaan (de etiologie) van angststoornissen? Leiden deze cognitieve processen tot een kwetsbaarheid waardoor mensen minder goed van behandelingen kunnen profiteren? Kunnen deze cognitieve vertekeningen veranderd worden door training?

NijCa²re leden zijn tevens betrokken bij onderzoek naar de neurobiologische mechanismen van emotieregulatie bij gezonde mensen en bij patiënten met angststoornissen. Met behulp van verschillende hersenonderzoekstechnieken (EEG, ERP, fMRI, Transcranial Magnetic Stimulation (TMS)) worden de effecten van hormonen (zoals het stresshormoon cortisol) op de regulatie van emoties in de hersenen onderzocht.

fMRI

fMRI wordt onder andere gebruikt bij het onderzoek naar vrijwillige en automatische controle van sociaal emotioneel gedrag en de werking van emotie-regulatiemechanismen in de hersenen. Een deel van dit onderzoek vindt plaats bij patiënten met een sociale angststoornis.